Een burcht op een heuvel

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Toen Ronald Reagan (op de foto naast zijn vrouw Nancy) in 1988 als president afscheid nam van zijn volk, vergeleek hij de VS met ‘een blinkende stad op een heuvel, een grote, trotse stad die is gebouwd op stenen die sterker zijn dan oceanen, gezegend door god, en krioelend van alle soorten mensen’.

Bovendien had die stad vrije havens die zoemden van bedrijvigheid en creativiteit, en iedereen leefde er in vrede met elkaar. Als er al stadswallen moesten zijn, vertelde Reagan, ‘dan hebben die deuren die openstaan voor iedereen die er met een goed hart door wil gaan.’

the_reagans_waving_from_the_limousine_during_the_inaugural_parade_1981Reagan was niet de enige president die sprak over een ‘stad op een heuvel’ (de beeldspraak kwam oorspronkelijk uit de koker van een 17de-eeuwse puriteinse settler, John Winthrop). Ook John Adams, George W. Bush en John F. Kennedy verwezen er graag naar. Want Amerika, daar waren ze het allemaal over eens, is uitzonderlijk.

Dat was het in elk geval. Nou ja, in zekere zin. Het gros van de aangespoelde Amerikanen was ergens vertrokken met de overtuiging dat in de Nieuwe Wereld kansen lagen die ze thuis niet konden krijgen. Dat de kolonisering de oorspronkelijke bevolking wegveegde en de slavernij er zo’n 250 jaar lang werd gehandhaafd, wordt nooit geroemd als American exceptionalism. Het motto life, liberty and the pursuit of happiness daarentegen past daar naadloos in, net als de overtuiging dat elke Amerikaan het kan maken als hij maar hard genoeg werkt.

De praktijk is ook daar minder vrolijk. America / is a great Idea: the reality leaves something to be desired, schreef de Amerikaanse poëet Frank Bidart kort na de recentste verkiezingen. De feiten spreken voor zich. The land of the free is het land dat wereldwijd het hoogste aantal van zijn burgers achter tralies heeft zitten.

The land of opportunity is het ook al lang niet meer. ‘De American Dream wordt nu gesproken met een Scandinavisch accent’, schreef The Washington Post enkele jaren geleden naar aanleiding van een studie van de economische denktank Oeso. Daaruit bleek dat de sociale mobiliteit, samen te vatten als de kans dat kinderen beter af zullen zijn dan hun ouders, lager is in de VS dan in veel andere ontwikkelde landen. Een van de redenen daarvoor is de kwaliteit van het onderwijs. Amerikaanse kinderen uit achtergestelde milieus scoren stukken slechter op cognitieve testen dan hun (pakweg) Deense tegenhangers, wat zich later ook vertaalt in slechter betaalde jobs.

‘Dit land is voortgekomen uit vier eeuwen van werk, bloedvergieten, eenzaamheid en angst’, schreef John Steinbeck in 1966. ‘En toen, binnen de kortste keren, werden de overeenkomsten tussen ons groter dan de verschillen – een nieuwe maatschappij, niet groots, maar juist door onze tekortkomingen voorbestemd tot grootsheid.’

Anno 2017 is de stad op de heuvel een burcht, met een opgehaalde loopbrug en blokkades in de haven. Elke dag dat Donald Trump vanuit het Witte Huis verdeelt en heerst, is de grootsheid waar Steinbeck op hoopte wat verder af.

Slacht de melkkoe

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Goed nieuws voor de federale regering: de dividendenstroom van Belfius zal naar schatting minstens 65 miljoen euro hoger uitkomen dan verwacht.

Daarnaast ontvangt de schatkist als grootste aandeelhouder van de Franse bank BNP Paribas (waarvan de Belgische overheid 10,3 procent bezit) nog eens 345 miljoen euro aan dividenden. Daar stopt het manna niet. Ook Bpost (51 procent van de aandelen) en telecombedrijf Proximus (53 procent) betalen de overheid jaarlijks royaal dividenden.

3118474906_57c43c3089_oRegeringen zien die participaties zeker in budgettair moeilijke tijden als melkkoeien om de variabele gaten in de begroting te helpen dichtrijden. Maar opgepast voor wie dat durft te zeggen. Denk aan Didier Bellens zaliger, die in 2013 verklaarde dat de toenmalige premier Elio Di Rupo (PS) hem enkel aan het einde van het jaar eens belde, om te informeren naar het dividend. ‘Een beetje zoals een klein kind dat om zijn sinterklaas komt.’ Die waarheid deed pijn, en de baas van het toenmalige Belgacom mocht beschikken.

Op korte termijn is het vanuit regeringsstandpunt logisch om zoveel mogelijk dividenden te puren uit participaties. Een regeerperiode overspant maar een paar jaar, en in die termijn zijn alle centen die weer uitgegeven kunnen worden welgekomen. Een privatisering die een smak geld in het laatje brengt, doet wel de staatsschuld dalen, maar verandert verder niets aan de begrotingsmarge. De Europese controleurs kijken immers naar het structurele saldo, wat betekent dat ze dergelijke eenmalige operaties buiten beschouwing laten.

Het kortetermijndenken van de regering lijkt wars van het politiek opportunisme gerechtvaardigd, zolang de rente die de Belgische overheid moet betalen voor het uitgeven van nieuwe schulden zo uitzonderlijk laag is als vandaag. Het dividendrendement ligt daar nu ruimschoots boven. Maar de essentie van goede tijden is natuurlijk dat ze niet blijven duren. Het risico bestaat dat België zijn overheidsbedrijven van de hand moet doen op een moment dat het economisch heel slecht gaat, en hun waardering laag is.

Naast die timing is er ook de fundamentele vraag wat precies de maatschappelijke en economische meerwaarde is van een overheidsparticipatie. De hoge telecomtarieven, waar de regering als aandeelhouder van Proximus van profiteert, illustreren dat het zeker niet altijd in het belang van de consument is. En wie durft na de vrijage-klucht tussen Bpost en PostNL nog zeggen dat de overheid geen politieke machinaties meebrengt naar de raad van bestuur?

Tot slot is er het onvermijdelijke argument dat overheidsparticipaties voor verankering zouden zorgen. Als de regering dat zo belangrijk vindt, moet ze haar burgers maar warm maken om bij de beursgang aandelen te kopen. De marktwaarde van Belfius wordt geschat op 7 miljard euro, terwijl er meer dan 265 miljard euro op de spaarboekjes staat. Dat moet dus lukken.

Camera’s in het parlement

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Hij was iets te complex, de column die hier normaal zou hebben gestaan.

Die ging over de werkzaamheden van – ademhalen – de commissie voor alternatieve financiering van overheidsinvesteringen van het Vlaams Parlement. Die commissie stelde vanmorgen haar voorlopige conclusies voor. Dat daarin jammer genoeg de uitstekende suggesties ontbraken die experts de voorbije maanden hadden gedaan om zulke investeringen te stimuleren, daar had ik het over willen hebben.

onkelinx-2Laat ik het, in de plaats daarvan, hebben over het werk van de parlementairen zelf. Meer bepaald over het beeld dat ze projecteren. Dat is voor een vluchtige nieuwsconsument niet altijd positief. Denk aan de schertsvertoningen die geregeld te zien zijn in het federaal parlement. Elke keer dat Laurette Onkelinx (PS, op de foto hiernaast) haar archetypische wegwerpgebaar maakt, met veel misbaar of schreeuwend door een microfoon die weer eens niet aan wil schieten, gaat een stukje vertrouwen in onze volksvertegenwoordiging verloren. Ook het Vlaams Parlement biedt op mindere dagen slecht theater, zij het dan in een veel lelijker decor.

Daar hebben de media, of in elk geval camera’s, mee schuld aan. ‘Camera’s binnenbrengen in een parlement is dodelijk voor de discussie’, verzuchtte Jean-Luc Dehaene jaren geleden. ‘Want dan domineert de perceptie de realiteit.’

Dat heb je ook in commissies die door audiovisuele pers druk worden bijgewoond. Zo herinner ik mij de Dexia-hoorzitting in oktober 2011, toen Luc Coene en Jean-Paul Servais op de rooster zouden worden gelegd. De toenmalige gouverneur van de Nationale Bank en de topman van de FSMA spraken gezamenlijk nog geen uur. Op een paar algemene statements na, konden ze juridisch gezien weinig vertellen, benadrukten ze. Broodnodige details geven kon enkel in een onderzoekscommissie achter gesloten deuren. Toch regende het vijf uur lang vragen waarop zij dus niet mochten antwoorden met journalisten in de coulissen en cameralampen op hun gezicht. Die vragen waren bovendien grotendeels dezelfde, maar niemand belandt in Het journaal met ‘Ik sluit me aan bij de vraag van mijn voorganger.’

Het is al te gemakkelijk om cynisch te doen over parlementair werk, en de mediatisering van het debat. De camera’s verdwijnen niet meer uit het parlement, dat is een verloren zaak. Maar het moet ook geen slechte zaak zijn. Neem de eerder vermelde commissie over de alternatieve financiering van overheidsinvesteringen. Daar zijn in de voorbije weken en maanden interessante, diepgaande discussies gevoerd over het nut en de meerwaarde van publiek-private samenwerkingen. Goed voorbereide parlementsleden stelden puntige vragen aan de specialisten die de revue passeerden. Dat viel allemaal live te volgen – en achteraf te herbekijken – via de website van het Vlaams Parlement.

Het is een welgekomen gedachte dat er in onze parlementen capabele mensen zitten, die hard en degelijk werk leveren op belangrijke thema’s, ook al zijn die niet sexy of mediageniek. Want we rijden over wegen die met ons belastinggeld gefinancierd worden, spoelen water weg door goed onderhouden riolen en spelen zaalvoetbal in de gemeentelijke sporthal. Hou dat in gedachten, als de volgende keer de camera’s inzoomen op een alweer kolerieke Onkelinx.

Het kan, maar het lukt niet

Lokale besturen kunnen door meer te investeren de economische groei opkrikken. Als de regionale en federale regering nu maar eens zouden meewerken.

Tussen 1970 en 2015 zijn de overheidsinvesteringen in België ruim gehalveerd tot 2,5 procent van het bruto binnenlands product. Daar is een simpele reden voor. Bij een begrotingsconsolidatie gaan zij als eerste op de schop, in betere tijden gaan ze als laatste omhoog. Nochtans brengen zij in een langetermijnperspectief meer op dan ze kosten, en dragen ze zo bij aan een hoger groeipotentieel. Betere verkeersinfrastructuur bijvoorbeeld betekent vlotter transport.

Als ze dan toch investeren, zetten besturen vaak in op publiek-private samenwerkingen (PPS). Die hebben niet de beste reputatie, simpelweg omdat ze veelal zijn opgezet om uitgaven van de overheidsbalans te schuiven, en niet omdat ze per se de beste oplossing zijn. Eurostat verplicht besturen overigens uiteindelijk vaak om die uitgaven toch vol in de boeken te nemen.

faucet-402174_1920Het nut van PPS staat centraal in een commissie van het Vlaams Parlement die zich buigt over de alternatieve financiering van overheidsinvesteringen. ‘Het was nooit de bedoeling van deze commissie om het warm water uit te vinden, maar wel om de best practices samen te brengen, en daaruit te leren’, vatte Matthias Diependaele (N-VA) vandaag samen.

De volksvertegenwoordigers kregen in de marge wel goeie tips om de investeringen op te krikken, en dan vooral voor de lokale besturen. Die nemen nu 30 procent van de totale overheidsinvesteringen – ofte 3 miljard euro – voor hun rekening.

Dat zou veel meer kunnen zijn, vertelde Jan Leroy van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten. Zo hadden de Belgische lokale besturen in 2015 een begroting in de plus van 261 miljoen euro. Een van de verklaringen voor dat overschot is dat zij flink gesnoeid hebben in hun investeringen, waardoor ze het totale begrotingstekort van België hebben helpen terugdringen. Nochtans liggen de tekorten vooral bij de andere overheden, en zijn lokale besturen zelf maar verantwoordelijk voor 5 procent van de staatsschuld.

Daarnaast ontbreekt het de hogere echelons aan een visie. ‘In tegenstelling tot de lokale besturen stelt de Vlaamse regering geen meerjarenplan op voor zijn investeringen’, aldus Leroy. ‘Daardoor hebben gemeenten geen enkele langetermijnzekerheid over subsidies voor projecten zoals de bouw van scholen en de aanleg van rioleringen. Bovendien hangen lokale investeringen dikwijls samen met projecten van De Lijn en Wegen en Verkeer, en ook daar is geen duidelijkheid over welke werken wanneer gepland zijn. Het gevolg is dat er investeringen liggen te wachten op andere investeringen. En dat terwijl de lage rente financiering bijzonder goedkoop maakt.’

Niet alleen de Vlaamse, maar ook de federale overheid kan een duit in het zakje doen, door de 21 procent btw die lokale besturen nu moeten betalen op hun investeringen (eigenlijk een transfer dus) te verlagen of zelfs te laten vallen. Maar zolang premier Charles Michel en co op hun beleidsniveau niet de tering naar de nering willen zetten en zo ruimte vrijmaken voor lokale investeringen, is dat niet meer dan een troostprijs.

Het onvermogen van CD&V

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

CD&V koketteert met een vermogensbelasting, maar grijpt naar halfslachtige maatregelen. Als het de partij echt menens is, stelt ze een herziening van het kadastraal inkomen voor.

‘CD&V is al tevreden met een fiscaal symbool’, klonk het afgelopen weekend nogal cynisch in deze krant. Na de desastreuze speculatietaks en fausse queue van de meerwaardebelasting rijst de vraag hoe de partij haar doel van vermogensherverdeling nog kan bereiken. Daarvoor zullen een paar echte taboes moeten sneuvelen.

Zo is het onwezenlijk dat de gegevens die de basis vormen voor de berekening van de onroerende voorheffing dateren van 1975. Minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) schermde er in het verleden mee dat een herziening van het kadastraal inkomen (KI) ‘monnikenwerk is waarvoor geen budget of operationele middelen zijn voorzien’. Alsof dat goede argumenten zijn als de opbrengsten de kosten meer dan rechtvaardigen, en elke dag uitstel een sociaal meer rechtvaardige belasting met een dag uitstelt.

ugly-belgian-house

© Hannes Coudenys

Op een volwaardig vermogenskadaster na – een zo mogelijk nog groter politiek taboe – valt er moeilijk een betere maatstaf te bedenken voor iemands vermogen dan de waarde van zijn vastgoed. Dat was toch ooit het achterliggende idee van het KI. Zolang dat fictief huurinkomen de reële huurinkomsten benadert, zijn er weinig problemen. Maar in 42 jaar tijd is er veel veranderd. Sommige plattelandsdorpjes van toen zijn ondertussen heuse villawijken, en ooit hippe winkelstraten nu vergane glorie. De realiteit is veranderd, maar niet het fictief huurinkomen.

Volgens de Leuvense professor grondwettelijk recht Paul Van Orshoven is de scheeftrekking in het fiscaal privilege in sommige wijken ondertussen zelfs zo groot in vergelijking met andere buurten dat het in strijd is met de grondwet…

De reden dat deze regering zich net als zoveel voorgaande niet aan een herziening waagt, is simpel: angst. Politici willen hun kiezers niet bruuskeren. Neem Bart Somers (Open VLD), die zich enkele jaren geleden verzette tegen een herziening van het KI omdat ‘vele gewone Vlaamse huiseigenaars dan meer belastingen zullen betalen’. Er is niets wat verhindert dat gemeentes en provincies hun opcentiemen verlagen en zo voor een deel de bluts tegen de buil stellen.

De schatkist hoeft er ook niet per se wel bij te varen. Als de herziening van het KI een herverdelend aspect moet hebben, kan die budgetneutraal verlopen door de inkomsten van de hogere KI’s te compenseren met de lagere inkomsten van lagere KI’s.

Nog beter is het de reële huurinkomsten te belasten. Vroeger ontbrak daar de informatie voor, maar vandaag moeten die huurcontracten geregistreerd zijn. Voor de eigen woning kan de ‘huur’ geschat worden via bepaalde parameters.

Zo’n vermogensherverdeling kan trouwens een economische stimulus betekenen. Academisch onderzoek suggereert dat lagere vermogens sneller bereid zijn om extra koopkracht te consumeren dan wie al goed in de slappe was zit.

Feit blijft: voor een partij die wil dat hogere vermogens meer bijdragen, is de CD&V opmerkelijk terughoudend voor het deel van dat vermogen dat in een woning zit. Maar o wee als het naar de beurs durft te stromen…

We wonen in een augiasstal

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Er is een cultuuromslag nodig om onze ruimtelijke ordening te verbeteren. Ook bij politici.

‘Wat jij verrommeling noemt is het huis/thuis van mensen. Er sluipt dedain in het debat en dat is niet goed.’ Dat tweette Open VLD-voorzitter Gwendolyn Rutten deze ochtend met het vingertje toen iemand opmerkte dat de kopers van slecht gelegen bouwgronden niet betalen voor de kosten van ontsluiting, mobiliteit en verrommeling.

Het is eerder omgekeerd: er sluipt een debat in de dedain, en dat is goed. Aanleiding is een Vito-studie die stelt dat de helft van de Belgische bouwgronden zeer slecht gelegen zijn (DS 6 januari). Zo’n 36.000 hectare grond voor wonen of werken is alleen met de auto te bereiken.

renaatbraem_elzaseverin3Renaat Braem (rechts op de foto) draait zich om in zijn graf. ‘Geen land is door de menselijke bezetting zo erg mishandeld als het onze, op dit ogenblik het lelijkste land ter wereld’, schreef de architect en urbanist in 1968. Hij noemde de Belgische ruimtelijke ordening ‘een job waarvoor zelfs Hercules zou terugdeinzen, een augiasstal van 30.000 vierkante kilometer’.

Daar heeft het naoorlogse woningbeleid schuld aan. De toenmalige CVP vreesde bijvoorbeeld dat verstedelijking tot ongeloof zou leiden – het waren andere tijden. De partij wilde niet weten van collectieve woonvormen, want dat was voor socialisten. Dankzij de premie-De Taeye uit 1948 konden jonge gezinnen overal in Vlaanderen bouwen, wat gezorgd heeft voor de ruimtelijke wanorde die we vandaag kennen.

Wat is die dedain dan? Wel, de voordelen van ons systeem zijn geïndividualiseerd (denk aan de mensen die in doorgaans goede woningen op ruime kavels wonen), maar de prijs is gecollectiviseerd. Het is moeilijk om in zo’n versnipperd ruimtelijk landschap riolen te voorzien, en elektriciteit en water naar die huizen te brengen. Als straks de vergrijzing volop toeslaat, zal dat aan een ernstige prijs komen, en dan vooral in die plaatsen die in de jaren 60 en 70 verkaveld zijn. Die oudere mensen wonen met andere woorden in plekken die voorzieningsarm zijn.

En daar zouden we dus verder aan bijdragen? Mooi niet, mag ik hopen.

Het idee dat het ideale huis maar één bouwovertreding verwijderd meer is, decennialang een geloofsovertuiging van elke Belg met een baksteen, is weggedeemsterd. Tegelijk groeit ook het besef dat de ene bouwgrond de andere niet is. ‘Ik denk dat kopers zelf wel kunnen bepalen of ze een bouwgrond slecht gelegen vinden’, aldus Rutten. Het punt is net dat ook de ruimere maatschappij daar inspraak in zou moeten hebben.

Misschien moet Rutten dat boekje van Braems maar eens ter hand nemen. Daarin staat een mooie liberale gedachte: ‘De mens, noodzakelijk gemaakt door de ontwikkeling van techniek en wetenschap, is een nieuwe mens, die uit een schil van dodende denkpatronen moet ontbolsterd worden wil hij er niet in stikken.’

Misprijzen

Dit opiniestuk verscheen eerder bij De Tijd.

Politici verdedigen de rechtstaat, tenzij het hen kiezers kan kosten. In het Arco-dossier zet de regering het belang van een deel van haar kiezers boven dat van haar volk.

franc%cc%a7ois-rene_de_chateaubriand_by_anne-louis_girodet_de_roucy_trioson‘Er zijn dagen waarop men spaarzaam moet zijn met zijn misprijzen omdat er zoveel zijn die er nood aan hebben’, verklaarde de Franse denker François-René de Chateaubriand (rechts in een schilderij van Anne-Louis Girodet de Roussy-Trioson) ooit. Wel, woensdag was zo’n dag, toen het Europees Hof van Justitie de gecontesteerde Arco-regeling naar de prullenmand verwees. Een overwinning voor de rechtstaat, aangezien het Hof finaal bevestigde dat alle beleggende Belgen gelijk zijn voor de wet.

Toch verklaarden politici van verschillende partijen – zowel uit de regeringscoalitie als uit de oppositie – meteen dat er een ‘creatieve oplossing’ moest komen om de Arco-beleggers (die dus voor alle duidelijkheid géén spaarders zijn) hun centen terug te geven. De christendemocratische vice-premier Kris Peeters, primus inter pares van de Arco-cheerleaders, verklaarde dat de belastingbetaler daarbij zo weinig mogelijk direct geviseerd mag worden. Dat is – excusez le mot – tjeverig gekonkelfoes. De essentie zit er niet in dat de belastingbetaler volgens Peeters zoveel mogelijk moet gespaard worden, maar wel dat hij zo min mogelijk mag merken hoe zijn belastingen weggesluisd worden naar een specifiek kiespubliek.

Want vergis u niet: dit is politiek clëntelisme pur sang. Het illustreert hoe de rechtstaat voor sommige partijen belangrijk is in het ene dossier, maar niet in het andere. Als deze regering oprecht de belastingbetaler niet wil viseren, dat ze dan zweert bij de fundamenten van de rechtsstaat dat gedupeerden verhaal moeten halen op de partijen die hen schade hebben bezorgd. Waarom zou ik als belastingbetaler schuld hebben aan het dramatisch financieel beheer van Arco, of de verkooppraktijken van de christelijke arbeidersbeweging? Als de belegger daar zijn verschuldigd bedrag niet volledig kan recupereren, moet hij de rest van zijn verlies slikken. Zoals alle beleggers.

Tot slot is het ook opmerkelijk hoe weinig aandacht er gaat naar het intergenetarioneel aspect van een mogelijke terugbetaling. Als de regering 200 miljoen euro belastinggeld kan laten wegvloeien naar Arco-gedupeerden, moet ze daar ook het geld voor vinden. Dat komt neer op het verder opbouwen van de staatsschuld. En die laatste is niets anders dan uitgestelde belastingen, die dus in steeds grotere mate worden doorgeschoven naar jongere generaties. Als die al bij Arco zaten, en dat zullen er sowieo niet veel geweest zijn, gaat het om heel beperkte bedragen. Toch zullen zij in dat geval allemaal mogen mee betalen voor deze koldervertoning.

Het hele Arco-dossier getuigt van het politieke onvermogen om een rechtvaardige, maar onpopulaire beslissing uit te leggen en te verdedigen. Wie achter zijn kiezer aanloopt, kan hem nooit in het gezicht kijken. Dat verdient ons misprijzen.