De onmogelijke Franse democratie

Europa kijkt met een bang hart naar de eerste ronde van de presidentsverkiezing in Frankrijk vandaag. Terecht. Economische inzichten leren tot welke bizarre uitslag die later kan leiden.

Net als in verschillende andere landen die het afgelopen jaar het nieuws haalden met opmerkelijke verkiezingsuitslagen, hebben ook de Fransen duidelijk hun buik vol van het establishment dat al decennialang het politieke centrum (zowel links als rechts) bezet. Dat heeft tot een polarisering geleid. Aan de uiterste linkerzijde is dat Jean-Luc Mélenchon van La France insoumise, extreemrechts zit Marine Le Pen van het Front National. De traditionele centrumpartijen zitten met beschadigde en/of weinig enthousiasmerende kandidaten. François Fillon van Les Républicains verzamelde de afgelopen maanden schandalen zoals een filatelist postzegels, en Benoît Hamon van de Parti Socialiste is in deze stembusslag zo onbetekenend dat hij in deze uitgebreide analyse van Het Financieele Dagblad op de vooravond van de Franse verkiezingen niet eens vermeld wordt.

MacronDe enige die in de verbrande aarde van het centrum echt weet te gedijen, is Emmanuel Macron (foto hiernaast). De reden daarvoor is eenvoudig: hij is een politieke neofiet. Macron heeft wel politieke ervaring als voormalig economisch adviseur van de huidige, immens onpopulaire president François Hollande, maar stampte later met En Marche! een nieuwe partij uit de grond. Die sleept dus nog geen machtstraditie en vriendjespolitiek met zich mee.

Het is een nek-aan-nekrace. Voorlopig ziet het er naar uit dat vandaag Macron en Le Pen als winnaars uit de bus komen. In dat geval nemen ze het op 7 mei tegen elkaar op in de tweede ronde, waarna meer dan waarschijnlijk een herhaling van het Chirac-scenario van 2002 volgt. Net zoals de linkerzijde toen met dichtgeknepen neus voor de rechtse Jacques Chirac stemde om de extreemrechtse Jean-Marie Le Pen uit het Élysée te houden, zouden gematigd links en rechts dan voor Macron kiezen. Bij een duel tussen Macron en Mélenchon, lijkt eenzelfde uitkomst voor de hand te liggen.

Maar wat als Macron de verwachtingen niet weet waar te maken, en ook Fillon tekortschiet waardoor de tweede ronde tussen Mélenchon en Le Pen gaat? Zowel extreemlinks al extreemrechts wil Frankrijk uit de eurozone halen, wie weet zelfs uit de Europese Unie. In dat geval zal wel het parlement nog akkoord moeten gaan, en het ziet er niet naar uit dat een van beide stokebranden daar een meerderheid zal halen. Maar toch. The Economist schreef vorige week al een Wat als? over presidente Le Pens eerste bezoek aan haar Duitse ambtsgenoot Angela Merkel. Dat verloopt niet bepaald goed…

Het doet een beetje denken aan de stemparadox van Kenneth Arrow. Die economische meester-theoreticus van de 20ste eeuw overleed eerder dit jaar, maar zijn inzichten zijn relevanter dan ooit (een goed artikel over zijn verdiensten vindt u hier – de Financial Times eerde de man met de uitspraak ‘even a Nobel Prize understates Arrow’s contribution to economic theory’ – Arrow is tot op vandaag de jongste Nobelprijswinnaar Economie ooit.).

Laat er ons voor de eenvoud even van uitgaan dat er maar drie presidentskandidaten zijn waaruit drie Fransen kunnen kiezen: MacroFillon, Mélenchon en Le Pen, en dat hun voorkeuren als volgt zijn:

Schermafbeelding 2017-04-22 om 12.24.45.png

Arrow merkte op dat bij een paarsgewijze stemming de volgorde waarin voorstellen worden gepresenteerd bepalend kunnen zijn voor de uitkomst. De voorkeuren van de burgers kunnen ook zodanig verdeeld zijn dat voor een bepaald probleem gewoon geen stabiele meerderheid haalbaar is.

Stel dat onze drie Fransen eerst moeten kiezen tussen MacroFillon en Mélenchon. Dan wint MacroFillon door de stem van kiezers I en II. Maar als het vervolgens in de tweede ronde tussen MacroFillon en Le Pen gaat, dan wint Le Pen door de stem van kiezers II en III. Nochtans haalt Mélenchon het duidelijk van Le Pen dankzij kiezers I en III… Ook voor de andere combinaties beland je in een lus. Nochtans heeft elk van de drie kiezers een duidelijke en consistente voorkeur. De stemparadox illustreert daarmee de relativiteit van sommige democratische beslissingen.

Voor alle duidelijkheid: de stemparadox is geen vondst van Arrow (de 19de-eeuwse markies de Condorcet was hem voor), maar de Amerikaanse econoom gaf er wel een briljante wiskundige onderbouwing aan die veel verder gaat dan bovenstaand voorbeeld.

The New York Times had trouwens een geweldig leuke anekdote over de erudiete Arrow. Omdat het zo’n leuke afsluiter is, geef ik hem hier even mee:

Professor Arrow was widely hailed as a polymath, possessing prodigious knowledge of subjects far removed from economics. Eric Maskin, a Harvard economist and fellow Nobel winner, told of a good-natured conspiracy waged by junior faculty to get the better of Professor Arrow, even if artificially. They all agreed to study the breeding habits of gray whales — a suitably abstruse topic — and gathered at an appointed date at a place where Professor Arrow would be sure to visit.

When, as expected, he showed up, they were talking out loud about the theory by a marine biologist — last name, Turner — which purported to explain how gray whales found the same breeding spot year after year. As Professor Maskin recounted the story, “Ken was silent,” and his junior colleagues amused themselves that they had for once bested their formidable professor.

Well, not so fast.

Before leaving, Professor Arrow muttered, “But I thought that Turner’s theory was entirely discredited by Spencer, who showed that the hypothesized homing mechanism couldn’t possibly work.”

De stengel van de Bloomsbury Group

‘Ik wil tot geen enkele club behoren die mij zou aanvaarden als lid’, grapte Groucho Marx ooit. Als er in de geschiedenis van de 20ste eeuw één club was waar dat een enorme vergissing was geweest, dan is het wel de Bloomsbury Group.

De naam van deze bende van diepe denkers, grote creatievelingen, en excentriekelingen (voor zover die al niet met elkaar samenvielen) kwam van de Londense wijk Bloomsbury, waar enkelen van hen woonden en waar ze geregeld samenkwamen. Als verlichte geesten deelden ze ideeën, lief en leed met elkaar. En ook de lakens, maar daar hebben we het zo dadelijk over.

Doorheen de jaren (ruw geschat van 1910 tot 1978) waren er veel passanten in de Bloomsbury Group, maar de kernleden waren:

  • John Maynard Keynes, die er The Economic Consequences of the Peace (1919) schreef (misschien nog best samen te vatten met een zin uit een andere publicatie van de oereconoom, Notes on an Indemnity, van een jaar eerder, namelijk ‘If Germany is to be milked, it must not first of all be ruined’).
  • Schrijvers Virginia Woolf, en haar man Leonard, Lytton Strachey, E.M. Forster en David ‘Bunny’ Garnett.
  • Schilders Duncan Grant en Roger Fry.
  • Kunstcriticus Clive Bell en zijn vrouw, de schilderes Vanessa Bell (trouwens ook de zus en toeverlaat van Virginia Woolf).
  • Journalist Desmond MacCarthy.

John Maynard KeynesVoor economen is het opvallendste lid natuurlijk John Maynard Keynes (foto hiernaast). Ik laat het voor niet-economen graag over aan Pierre Huylenbroeck om zijn belang te omschrijven (uit een artikel in De Tijd uit 2000):

Keynes is zonder discussie de grootste econoom van de 20ste eeuw. Zijn magnum opus is volgens velen het belangrijkste wetenschappelijke werk van de eeuw. Geen enkel ander boek beïnvloedde in die mate het uitzicht van de maatschappij en de rol van regeringen. Alsof dat allemaal niet voldoende is, was Keynes de architect van het grootste monetaire systeem van de eeuw. En ja, hij staat ook geboekstaafd als een der grootste beleggers.

Keynes was uiterst intelligent en welbespraakt, en hij wist het. Hij was arrogant en onbescheiden, ook al zorgde hij met zijn opmerking over economie, ‘Ik denk dat ik hier nogal goed in ben’, voor het grootste economische understatement sinds Adam Smith in de 18de eeuw zei dat hij The Wealth of Nations schreef om de tijd te doden.

Hoe belangrijk ook, binnen de ‘bloomsburries’ was Keynes niet de spil van de groep. Dat leert een recente paper van Peter Dolton van Sussex University. Met dat onderzoek wil hij meer inzicht krijgen in hoe sociale netwerkeffecten werken. Omdat de verhoudingen tussen een groep van mensen vandaag moeilijk te volgen zijn (e-mails zijn privé, en worden bovendien vaak verwijderd), grijpt de academicus terug naar de Bloomsbury Group, waarvan de interacties goed gedocumenteerd zijn.

Het is passend dat het net een academicus van Sussex University is die zich daarin verdiept. In die streek lag namelijk Charleston Farmhouse, waar het echtpaar Bell met hun kinderen en enkele vrienden woonden (een heel Miss Marple-achtige plek volgens Kurt). Aanvankelijk was het voor de bloomburries vooral een dankbare ontsnappingsplek om de Eerste Wereldoorlog even te vergeten. Later groeide het uit tot een belangrijke ontmoetingsplaats.

Onderstaande grafiek toont dat niet Keynes (JMK) maar wel ene LS het belangrijkste lid van de Bloomsbury Group was (Keynes komt op de tweede plaats). Het gaat om de schrijver Lytton Strachey.

Schermafbeelding 2017-04-10 om 12.44.29

De sappigste passages in de paper gaan over het liefdesleven van de leden van de Bloomsbury Group, dat een ware soap was. Lees maar even mee:

Grant had sexual relations with: Garnett, Keynes, Strachey, Adrian Stephens and Vanessa Bell. Vanessa Bell had sexual relations with: Roger Fry, Clive Bell and Duncan Grant. Keynes had sexual relations with: Grant, Garnett, Strachey and Lydia Lopokova. Grant was a lover of Keynes, Garnett, Bell, Strachey and many more.

Non reciprocated relationships: It was clear that Garnett had an unrequited love for Vanessa Bell and many members of the group had a much greater affection and strength of feeling towards Grant than Grant had for them. Ottoline Morrell had feelings for Virginia Woolf which were not reciprocated. Likewise, Dora Carrington was thwarted in her feelings for Lytton Strachey, Lytton Strachey for David Gerter, and David Gerter for Dora Carrington. It is reported that Lytton Strachey did not see eye to eye with Clive Bell. Vanessa Bell was married to Clive Bell but lived with Duncan Grant. Leonard Woolf was married to Virginia Woolf, and Harold Nicolson was married to Vita Sackville-West but it was Vita and Virginia who fell in love with each other.

Hoe je het ook draait of keert, er viel in de Bloomsbury Group altijd wel wat te bespreken.

Een burcht op een heuvel

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Toen Ronald Reagan (op de foto naast zijn vrouw Nancy) in 1988 als president afscheid nam van zijn volk, vergeleek hij de VS met ‘een blinkende stad op een heuvel, een grote, trotse stad die is gebouwd op stenen die sterker zijn dan oceanen, gezegend door god, en krioelend van alle soorten mensen’.

Bovendien had die stad vrije havens die zoemden van bedrijvigheid en creativiteit, en iedereen leefde er in vrede met elkaar. Als er al stadswallen moesten zijn, vertelde Reagan, ‘dan hebben die deuren die openstaan voor iedereen die er met een goed hart door wil gaan.’

the_reagans_waving_from_the_limousine_during_the_inaugural_parade_1981Reagan was niet de enige president die sprak over een ‘stad op een heuvel’ (de beeldspraak kwam oorspronkelijk uit de koker van een 17de-eeuwse puriteinse settler, John Winthrop). Ook John Adams, George W. Bush en John F. Kennedy verwezen er graag naar. Want Amerika, daar waren ze het allemaal over eens, is uitzonderlijk.

Dat was het in elk geval. Nou ja, in zekere zin. Het gros van de aangespoelde Amerikanen was ergens vertrokken met de overtuiging dat in de Nieuwe Wereld kansen lagen die ze thuis niet konden krijgen. Dat de kolonisering de oorspronkelijke bevolking wegveegde en de slavernij er zo’n 250 jaar lang werd gehandhaafd, wordt nooit geroemd als American exceptionalism. Het motto life, liberty and the pursuit of happiness daarentegen past daar naadloos in, net als de overtuiging dat elke Amerikaan het kan maken als hij maar hard genoeg werkt.

De praktijk is ook daar minder vrolijk. America / is a great Idea: the reality leaves something to be desired, schreef de Amerikaanse poëet Frank Bidart kort na de recentste verkiezingen. De feiten spreken voor zich. The land of the free is het land dat wereldwijd het hoogste aantal van zijn burgers achter tralies heeft zitten.

The land of opportunity is het ook al lang niet meer. ‘De American Dream wordt nu gesproken met een Scandinavisch accent’, schreef The Washington Post enkele jaren geleden naar aanleiding van een studie van de economische denktank Oeso. Daaruit bleek dat de sociale mobiliteit, samen te vatten als de kans dat kinderen beter af zullen zijn dan hun ouders, lager is in de VS dan in veel andere ontwikkelde landen. Een van de redenen daarvoor is de kwaliteit van het onderwijs. Amerikaanse kinderen uit achtergestelde milieus scoren stukken slechter op cognitieve testen dan hun (pakweg) Deense tegenhangers, wat zich later ook vertaalt in slechter betaalde jobs.

‘Dit land is voortgekomen uit vier eeuwen van werk, bloedvergieten, eenzaamheid en angst’, schreef John Steinbeck in 1966. ‘En toen, binnen de kortste keren, werden de overeenkomsten tussen ons groter dan de verschillen – een nieuwe maatschappij, niet groots, maar juist door onze tekortkomingen voorbestemd tot grootsheid.’

Anno 2017 is de stad op de heuvel een burcht, met een opgehaalde loopbrug en blokkades in de haven. Elke dag dat Donald Trump vanuit het Witte Huis verdeelt en heerst, is de grootsheid waar Steinbeck op hoopte wat verder af.

Slacht de melkkoe

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Goed nieuws voor de federale regering: de dividendenstroom van Belfius zal naar schatting minstens 65 miljoen euro hoger uitkomen dan verwacht.

Daarnaast ontvangt de schatkist als grootste aandeelhouder van de Franse bank BNP Paribas (waarvan de Belgische overheid 10,3 procent bezit) nog eens 345 miljoen euro aan dividenden. Daar stopt het manna niet. Ook Bpost (51 procent van de aandelen) en telecombedrijf Proximus (53 procent) betalen de overheid jaarlijks royaal dividenden.

3118474906_57c43c3089_oRegeringen zien die participaties zeker in budgettair moeilijke tijden als melkkoeien om de variabele gaten in de begroting te helpen dichtrijden. Maar opgepast voor wie dat durft te zeggen. Denk aan Didier Bellens zaliger, die in 2013 verklaarde dat de toenmalige premier Elio Di Rupo (PS) hem enkel aan het einde van het jaar eens belde, om te informeren naar het dividend. ‘Een beetje zoals een klein kind dat om zijn sinterklaas komt.’ Die waarheid deed pijn, en de baas van het toenmalige Belgacom mocht beschikken.

Op korte termijn is het vanuit regeringsstandpunt logisch om zoveel mogelijk dividenden te puren uit participaties. Een regeerperiode overspant maar een paar jaar, en in die termijn zijn alle centen die weer uitgegeven kunnen worden welgekomen. Een privatisering die een smak geld in het laatje brengt, doet wel de staatsschuld dalen, maar verandert verder niets aan de begrotingsmarge. De Europese controleurs kijken immers naar het structurele saldo, wat betekent dat ze dergelijke eenmalige operaties buiten beschouwing laten.

Het kortetermijndenken van de regering lijkt wars van het politiek opportunisme gerechtvaardigd, zolang de rente die de Belgische overheid moet betalen voor het uitgeven van nieuwe schulden zo uitzonderlijk laag is als vandaag. Het dividendrendement ligt daar nu ruimschoots boven. Maar de essentie van goede tijden is natuurlijk dat ze niet blijven duren. Het risico bestaat dat België zijn overheidsbedrijven van de hand moet doen op een moment dat het economisch heel slecht gaat, en hun waardering laag is.

Naast die timing is er ook de fundamentele vraag wat precies de maatschappelijke en economische meerwaarde is van een overheidsparticipatie. De hoge telecomtarieven, waar de regering als aandeelhouder van Proximus van profiteert, illustreren dat het zeker niet altijd in het belang van de consument is. En wie durft na de vrijage-klucht tussen Bpost en PostNL nog zeggen dat de overheid geen politieke machinaties meebrengt naar de raad van bestuur?

Tot slot is er het onvermijdelijke argument dat overheidsparticipaties voor verankering zouden zorgen. Als de regering dat zo belangrijk vindt, moet ze haar burgers maar warm maken om bij de beursgang aandelen te kopen. De marktwaarde van Belfius wordt geschat op 7 miljard euro, terwijl er meer dan 265 miljard euro op de spaarboekjes staat. Dat moet dus lukken.

Camera’s in het parlement

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Hij was iets te complex, de column die hier normaal zou hebben gestaan.

Die ging over de werkzaamheden van – ademhalen – de commissie voor alternatieve financiering van overheidsinvesteringen van het Vlaams Parlement. Die commissie stelde vanmorgen haar voorlopige conclusies voor. Dat daarin jammer genoeg de uitstekende suggesties ontbraken die experts de voorbije maanden hadden gedaan om zulke investeringen te stimuleren, daar had ik het over willen hebben.

onkelinx-2Laat ik het, in de plaats daarvan, hebben over het werk van de parlementairen zelf. Meer bepaald over het beeld dat ze projecteren. Dat is voor een vluchtige nieuwsconsument niet altijd positief. Denk aan de schertsvertoningen die geregeld te zien zijn in het federaal parlement. Elke keer dat Laurette Onkelinx (PS, op de foto hiernaast) haar archetypische wegwerpgebaar maakt, met veel misbaar of schreeuwend door een microfoon die weer eens niet aan wil schieten, gaat een stukje vertrouwen in onze volksvertegenwoordiging verloren. Ook het Vlaams Parlement biedt op mindere dagen slecht theater, zij het dan in een veel lelijker decor.

Daar hebben de media, of in elk geval camera’s, mee schuld aan. ‘Camera’s binnenbrengen in een parlement is dodelijk voor de discussie’, verzuchtte Jean-Luc Dehaene jaren geleden. ‘Want dan domineert de perceptie de realiteit.’

Dat heb je ook in commissies die door audiovisuele pers druk worden bijgewoond. Zo herinner ik mij de Dexia-hoorzitting in oktober 2011, toen Luc Coene en Jean-Paul Servais op de rooster zouden worden gelegd. De toenmalige gouverneur van de Nationale Bank en de topman van de FSMA spraken gezamenlijk nog geen uur. Op een paar algemene statements na, konden ze juridisch gezien weinig vertellen, benadrukten ze. Broodnodige details geven kon enkel in een onderzoekscommissie achter gesloten deuren. Toch regende het vijf uur lang vragen waarop zij dus niet mochten antwoorden met journalisten in de coulissen en cameralampen op hun gezicht. Die vragen waren bovendien grotendeels dezelfde, maar niemand belandt in Het journaal met ‘Ik sluit me aan bij de vraag van mijn voorganger.’

Het is al te gemakkelijk om cynisch te doen over parlementair werk, en de mediatisering van het debat. De camera’s verdwijnen niet meer uit het parlement, dat is een verloren zaak. Maar het moet ook geen slechte zaak zijn. Neem de eerder vermelde commissie over de alternatieve financiering van overheidsinvesteringen. Daar zijn in de voorbije weken en maanden interessante, diepgaande discussies gevoerd over het nut en de meerwaarde van publiek-private samenwerkingen. Goed voorbereide parlementsleden stelden puntige vragen aan de specialisten die de revue passeerden. Dat viel allemaal live te volgen – en achteraf te herbekijken – via de website van het Vlaams Parlement.

Het is een welgekomen gedachte dat er in onze parlementen capabele mensen zitten, die hard en degelijk werk leveren op belangrijke thema’s, ook al zijn die niet sexy of mediageniek. Want we rijden over wegen die met ons belastinggeld gefinancierd worden, spoelen water weg door goed onderhouden riolen en spelen zaalvoetbal in de gemeentelijke sporthal. Hou dat in gedachten, als de volgende keer de camera’s inzoomen op een alweer kolerieke Onkelinx.

Het onvermogen van CD&V

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

CD&V koketteert met een vermogensbelasting, maar grijpt naar halfslachtige maatregelen. Als het de partij echt menens is, stelt ze een herziening van het kadastraal inkomen voor.

‘CD&V is al tevreden met een fiscaal symbool’, klonk het afgelopen weekend nogal cynisch in deze krant. Na de desastreuze speculatietaks en fausse queue van de meerwaardebelasting rijst de vraag hoe de partij haar doel van vermogensherverdeling nog kan bereiken. Daarvoor zullen een paar echte taboes moeten sneuvelen.

Zo is het onwezenlijk dat de gegevens die de basis vormen voor de berekening van de onroerende voorheffing dateren van 1975. Minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) schermde er in het verleden mee dat een herziening van het kadastraal inkomen (KI) ‘monnikenwerk is waarvoor geen budget of operationele middelen zijn voorzien’. Alsof dat goede argumenten zijn als de opbrengsten de kosten meer dan rechtvaardigen, en elke dag uitstel een sociaal meer rechtvaardige belasting met een dag uitstelt.

ugly-belgian-house

© Hannes Coudenys

Op een volwaardig vermogenskadaster na – een zo mogelijk nog groter politiek taboe – valt er moeilijk een betere maatstaf te bedenken voor iemands vermogen dan de waarde van zijn vastgoed. Dat was toch ooit het achterliggende idee van het KI. Zolang dat fictief huurinkomen de reële huurinkomsten benadert, zijn er weinig problemen. Maar in 42 jaar tijd is er veel veranderd. Sommige plattelandsdorpjes van toen zijn ondertussen heuse villawijken, en ooit hippe winkelstraten nu vergane glorie. De realiteit is veranderd, maar niet het fictief huurinkomen.

Volgens de Leuvense professor grondwettelijk recht Paul Van Orshoven is de scheeftrekking in het fiscaal privilege in sommige wijken ondertussen zelfs zo groot in vergelijking met andere buurten dat het in strijd is met de grondwet…

De reden dat deze regering zich net als zoveel voorgaande niet aan een herziening waagt, is simpel: angst. Politici willen hun kiezers niet bruuskeren. Neem Bart Somers (Open VLD), die zich enkele jaren geleden verzette tegen een herziening van het KI omdat ‘vele gewone Vlaamse huiseigenaars dan meer belastingen zullen betalen’. Er is niets wat verhindert dat gemeentes en provincies hun opcentiemen verlagen en zo voor een deel de bluts tegen de buil stellen.

De schatkist hoeft er ook niet per se wel bij te varen. Als de herziening van het KI een herverdelend aspect moet hebben, kan die budgetneutraal verlopen door de inkomsten van de hogere KI’s te compenseren met de lagere inkomsten van lagere KI’s.

Nog beter is het de reële huurinkomsten te belasten. Vroeger ontbrak daar de informatie voor, maar vandaag moeten die huurcontracten geregistreerd zijn. Voor de eigen woning kan de ‘huur’ geschat worden via bepaalde parameters.

Zo’n vermogensherverdeling kan trouwens een economische stimulus betekenen. Academisch onderzoek suggereert dat lagere vermogens sneller bereid zijn om extra koopkracht te consumeren dan wie al goed in de slappe was zit.

Feit blijft: voor een partij die wil dat hogere vermogens meer bijdragen, is de CD&V opmerkelijk terughoudend voor het deel van dat vermogen dat in een woning zit. Maar o wee als het naar de beurs durft te stromen…

We wonen in een augiasstal

Deze column verscheen eerder bij De Standaard.

Er is een cultuuromslag nodig om onze ruimtelijke ordening te verbeteren. Ook bij politici.

‘Wat jij verrommeling noemt is het huis/thuis van mensen. Er sluipt dedain in het debat en dat is niet goed.’ Dat tweette Open VLD-voorzitter Gwendolyn Rutten deze ochtend met het vingertje toen iemand opmerkte dat de kopers van slecht gelegen bouwgronden niet betalen voor de kosten van ontsluiting, mobiliteit en verrommeling.

Het is eerder omgekeerd: er sluipt een debat in de dedain, en dat is goed. Aanleiding is een Vito-studie die stelt dat de helft van de Belgische bouwgronden zeer slecht gelegen zijn (DS 6 januari). Zo’n 36.000 hectare grond voor wonen of werken is alleen met de auto te bereiken.

renaatbraem_elzaseverin3Renaat Braem (rechts op de foto) draait zich om in zijn graf. ‘Geen land is door de menselijke bezetting zo erg mishandeld als het onze, op dit ogenblik het lelijkste land ter wereld’, schreef de architect en urbanist in 1968. Hij noemde de Belgische ruimtelijke ordening ‘een job waarvoor zelfs Hercules zou terugdeinzen, een augiasstal van 30.000 vierkante kilometer’.

Daar heeft het naoorlogse woningbeleid schuld aan. De toenmalige CVP vreesde bijvoorbeeld dat verstedelijking tot ongeloof zou leiden – het waren andere tijden. De partij wilde niet weten van collectieve woonvormen, want dat was voor socialisten. Dankzij de premie-De Taeye uit 1948 konden jonge gezinnen overal in Vlaanderen bouwen, wat gezorgd heeft voor de ruimtelijke wanorde die we vandaag kennen.

Wat is die dedain dan? Wel, de voordelen van ons systeem zijn geïndividualiseerd (denk aan de mensen die in doorgaans goede woningen op ruime kavels wonen), maar de prijs is gecollectiviseerd. Het is moeilijk om in zo’n versnipperd ruimtelijk landschap riolen te voorzien, en elektriciteit en water naar die huizen te brengen. Als straks de vergrijzing volop toeslaat, zal dat aan een ernstige prijs komen, en dan vooral in die plaatsen die in de jaren 60 en 70 verkaveld zijn. Die oudere mensen wonen met andere woorden in plekken die voorzieningsarm zijn.

En daar zouden we dus verder aan bijdragen? Mooi niet, mag ik hopen.

Het idee dat het ideale huis maar één bouwovertreding verwijderd meer is, decennialang een geloofsovertuiging van elke Belg met een baksteen, is weggedeemsterd. Tegelijk groeit ook het besef dat de ene bouwgrond de andere niet is. ‘Ik denk dat kopers zelf wel kunnen bepalen of ze een bouwgrond slecht gelegen vinden’, aldus Rutten. Het punt is net dat ook de ruimere maatschappij daar inspraak in zou moeten hebben.

Misschien moet Rutten dat boekje van Braems maar eens ter hand nemen. Daarin staat een mooie liberale gedachte: ‘De mens, noodzakelijk gemaakt door de ontwikkeling van techniek en wetenschap, is een nieuwe mens, die uit een schil van dodende denkpatronen moet ontbolsterd worden wil hij er niet in stikken.’